FlexiVerb

Dutch Verb

voortborduren

to embroider further · to build further, to elaborate (on)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

voortborduren

Past Participle

voortbordurend

Pres. Participle

voortbordurend

Imperative

borduur voort / borduurt voort

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikborduur voort
jijborduurt voort
hij/zij/hetborduurt voort
wijborduren voort
jullieborduren voort
zijborduren voort

Verleden tijd

Simple Past

ikborduurde voort
jijborduurde voort
hij/zij/hetborduurde voort
wijborduurden voort
jullieborduurden voort
zijborduurden voort

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb voortbordurend
jijhebt voortbordurend
hij/zij/hetheeft voortbordurend
wijhebben voortbordurend
julliehebben voortbordurend
zijhebben voortbordurend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad voortbordurend
jijhad voortbordurend
hij/zij/hethad voortbordurend
wijhadden voortbordurend
julliehadden voortbordurend
zijhadden voortbordurend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal voortborduren
jijzal voortborduren
hij/zij/hetzal voortborduren
wijzullen voortborduren
julliezullen voortborduren
zijzullen voortborduren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal voortbordurend hebben
jijzal voortbordurend hebben
hij/zij/hetzal voortbordurend hebben
wijzullen voortbordurend hebben
julliezullen voortbordurend hebben
zijzullen voortbordurend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou voortborduren
jijzou voortborduren
hij/zij/hetzou voortborduren
wijzouden voortborduren
julliezouden voortborduren
zijzouden voortborduren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou voortbordurend hebben
jijzou voortbordurend hebben
hij/zij/hetzou voortbordurend hebben
wijzouden voortbordurend hebben
julliezouden voortbordurend hebben
zijzouden voortbordurend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het voortborduren
jijbent aan het voortborduren
hij/zij/hetis aan het voortborduren
wijzijn aan het voortborduren
julliezijn aan het voortborduren
zijzijn aan het voortborduren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het voortborduren
jijwas aan het voortborduren
hij/zij/hetwas aan het voortborduren
wijwaren aan het voortborduren
julliewaren aan het voortborduren
zijwaren aan het voortborduren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvoortbordur
jijvoortbordur
hij/zij/hetvoortbordur
wijvoortbordur
jullievoortbordur
zijvoortbordur

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0