FlexiVerb

Dutch Verb

vreemdgaan

to cheat; to wander (have sexual or romantic relations with another than one's stable partner, typically in secrecy)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vreemdgaan

Past Participle

vreemdgaand

Pres. Participle

vreemdgaand

Imperative

ga vreemd / gaat vreemd

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikga vreemd
jijgaat vreemd
hij/zij/hetgaat vreemd
wijgaan vreemd
julliegaan vreemd
zijgaan vreemd

Verleden tijd

Simple Past

ikging vreemd
jijging vreemd
hij/zij/hetging vreemd
wijgingen vreemd
julliegingen vreemd
zijgingen vreemd

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vreemdgaand
jijhebt vreemdgaand
hij/zij/hetheeft vreemdgaand
wijhebben vreemdgaand
julliehebben vreemdgaand
zijhebben vreemdgaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vreemdgaand
jijhad vreemdgaand
hij/zij/hethad vreemdgaand
wijhadden vreemdgaand
julliehadden vreemdgaand
zijhadden vreemdgaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vreemdgaan
jijzal vreemdgaan
hij/zij/hetzal vreemdgaan
wijzullen vreemdgaan
julliezullen vreemdgaan
zijzullen vreemdgaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vreemdgaand hebben
jijzal vreemdgaand hebben
hij/zij/hetzal vreemdgaand hebben
wijzullen vreemdgaand hebben
julliezullen vreemdgaand hebben
zijzullen vreemdgaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vreemdgaan
jijzou vreemdgaan
hij/zij/hetzou vreemdgaan
wijzouden vreemdgaan
julliezouden vreemdgaan
zijzouden vreemdgaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vreemdgaand hebben
jijzou vreemdgaand hebben
hij/zij/hetzou vreemdgaand hebben
wijzouden vreemdgaand hebben
julliezouden vreemdgaand hebben
zijzouden vreemdgaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vreemdgaan
jijbent aan het vreemdgaan
hij/zij/hetis aan het vreemdgaan
wijzijn aan het vreemdgaan
julliezijn aan het vreemdgaan
zijzijn aan het vreemdgaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vreemdgaan
jijwas aan het vreemdgaan
hij/zij/hetwas aan het vreemdgaan
wijwaren aan het vreemdgaan
julliewaren aan het vreemdgaan
zijwaren aan het vreemdgaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvreemdgaa
jijvreemdgaa
hij/zij/hetvreemdgaa
wijvreemdgaa
jullievreemdgaa
zijvreemdgaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0