FlexiVerb

Dutch Verb

vrezen

to fear

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vrezen

Past Participle

vrezend

Pres. Participle

vrezend

Imperative

vrees / vreest

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvrees
jijvreest
hij/zij/hetvreest
wijvrezen
jullievrezen
zijvrezen

Verleden tijd

Simple Past

ikvreesde
jijvreesde
hij/zij/hetvreesde
wijvreesden
jullievreesden
zijvreesden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vrezend
jijhebt vrezend
hij/zij/hetheeft vrezend
wijhebben vrezend
julliehebben vrezend
zijhebben vrezend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vrezend
jijhad vrezend
hij/zij/hethad vrezend
wijhadden vrezend
julliehadden vrezend
zijhadden vrezend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vrezen
jijzal vrezen
hij/zij/hetzal vrezen
wijzullen vrezen
julliezullen vrezen
zijzullen vrezen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vrezend hebben
jijzal vrezend hebben
hij/zij/hetzal vrezend hebben
wijzullen vrezend hebben
julliezullen vrezend hebben
zijzullen vrezend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vrezen
jijzou vrezen
hij/zij/hetzou vrezen
wijzouden vrezen
julliezouden vrezen
zijzouden vrezen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vrezend hebben
jijzou vrezend hebben
hij/zij/hetzou vrezend hebben
wijzouden vrezend hebben
julliezouden vrezend hebben
zijzouden vrezend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vrezen
jijbent aan het vrezen
hij/zij/hetis aan het vrezen
wijzijn aan het vrezen
julliezijn aan het vrezen
zijzijn aan het vrezen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vrezen
jijwas aan het vrezen
hij/zij/hetwas aan het vrezen
wijwaren aan het vrezen
julliewaren aan het vrezen
zijwaren aan het vrezen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvrez
jijvrez
hij/zij/hetvrez
wijvrez
jullievrez
zijvrez

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0