FlexiVerb

Dutch Verb

vrijen

to make love, to have sex · to make out, to cuddle, to hug and kiss · to have a relationship, to be a couple, to go out with someone · to court, to woo

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vrijen

Past Participle

vrijend

Pres. Participle

vrijend

Imperative

vrij / vrijt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvrij
jijvrijt
hij/zij/hetvrijt
wijvrijen
jullievrijen
zijvrijen

Verleden tijd

Simple Past

ikvree
jijvree
hij/zij/hetvree
wijvreeën
jullievreeën
zijvreeën

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vrijend
jijhebt vrijend
hij/zij/hetheeft vrijend
wijhebben vrijend
julliehebben vrijend
zijhebben vrijend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vrijend
jijhad vrijend
hij/zij/hethad vrijend
wijhadden vrijend
julliehadden vrijend
zijhadden vrijend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vrijen
jijzal vrijen
hij/zij/hetzal vrijen
wijzullen vrijen
julliezullen vrijen
zijzullen vrijen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vrijend hebben
jijzal vrijend hebben
hij/zij/hetzal vrijend hebben
wijzullen vrijend hebben
julliezullen vrijend hebben
zijzullen vrijend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vrijen
jijzou vrijen
hij/zij/hetzou vrijen
wijzouden vrijen
julliezouden vrijen
zijzouden vrijen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vrijend hebben
jijzou vrijend hebben
hij/zij/hetzou vrijend hebben
wijzouden vrijend hebben
julliezouden vrijend hebben
zijzouden vrijend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vrijen
jijbent aan het vrijen
hij/zij/hetis aan het vrijen
wijzijn aan het vrijen
julliezijn aan het vrijen
zijzijn aan het vrijen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vrijen
jijwas aan het vrijen
hij/zij/hetwas aan het vrijen
wijwaren aan het vrijen
julliewaren aan het vrijen
zijwaren aan het vrijen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvrij
jijvrij
hij/zij/hetvrij
wijvrij
jullievrij
zijvrij

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0