FlexiVerb

Dutch Verb

vrijspreken

to absolve, acquit

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vrijspreken

Past Participle

vrijsprekend

Pres. Participle

vrijsprekend

Imperative

spreek vrij / spreekt vrij

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikspreek vrij
jijspreekt vrij
hij/zij/hetspreekt vrij
wijspreken vrij
julliespreken vrij
zijspreken vrij

Verleden tijd

Simple Past

iksprak vrij
jijsprak vrij
hij/zij/hetsprak vrij
wijspraken vrij
julliespraken vrij
zijspraken vrij

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vrijsprekend
jijhebt vrijsprekend
hij/zij/hetheeft vrijsprekend
wijhebben vrijsprekend
julliehebben vrijsprekend
zijhebben vrijsprekend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vrijsprekend
jijhad vrijsprekend
hij/zij/hethad vrijsprekend
wijhadden vrijsprekend
julliehadden vrijsprekend
zijhadden vrijsprekend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vrijspreken
jijzal vrijspreken
hij/zij/hetzal vrijspreken
wijzullen vrijspreken
julliezullen vrijspreken
zijzullen vrijspreken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vrijsprekend hebben
jijzal vrijsprekend hebben
hij/zij/hetzal vrijsprekend hebben
wijzullen vrijsprekend hebben
julliezullen vrijsprekend hebben
zijzullen vrijsprekend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vrijspreken
jijzou vrijspreken
hij/zij/hetzou vrijspreken
wijzouden vrijspreken
julliezouden vrijspreken
zijzouden vrijspreken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vrijsprekend hebben
jijzou vrijsprekend hebben
hij/zij/hetzou vrijsprekend hebben
wijzouden vrijsprekend hebben
julliezouden vrijsprekend hebben
zijzouden vrijsprekend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vrijspreken
jijbent aan het vrijspreken
hij/zij/hetis aan het vrijspreken
wijzijn aan het vrijspreken
julliezijn aan het vrijspreken
zijzijn aan het vrijspreken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vrijspreken
jijwas aan het vrijspreken
hij/zij/hetwas aan het vrijspreken
wijwaren aan het vrijspreken
julliewaren aan het vrijspreken
zijwaren aan het vrijspreken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvrijsprek
jijvrijsprek
hij/zij/hetvrijsprek
wijvrijsprek
jullievrijsprek
zijvrijsprek

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0