Dutch Verb
wegstoppen
to put away · to hide
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
wegstoppen
Past Participle
wegstoppend
Pres. Participle
wegstoppend
Imperative
stop weg / stopt weg
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikstop weg
jijstopt weg
hij/zij/hetstopt weg
wijstoppen weg
julliestoppen weg
zijstoppen weg
Verleden tijd
Simple Past
ikstopte weg
jijstopte weg
hij/zij/hetstopte weg
wijstopten weg
julliestopten weg
zijstopten weg
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb wegstoppend
jijhebt wegstoppend
hij/zij/hetheeft wegstoppend
wijhebben wegstoppend
julliehebben wegstoppend
zijhebben wegstoppend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad wegstoppend
jijhad wegstoppend
hij/zij/hethad wegstoppend
wijhadden wegstoppend
julliehadden wegstoppend
zijhadden wegstoppend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal wegstoppen
jijzal wegstoppen
hij/zij/hetzal wegstoppen
wijzullen wegstoppen
julliezullen wegstoppen
zijzullen wegstoppen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal wegstoppend hebben
jijzal wegstoppend hebben
hij/zij/hetzal wegstoppend hebben
wijzullen wegstoppend hebben
julliezullen wegstoppend hebben
zijzullen wegstoppend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou wegstoppen
jijzou wegstoppen
hij/zij/hetzou wegstoppen
wijzouden wegstoppen
julliezouden wegstoppen
zijzouden wegstoppen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou wegstoppend hebben
jijzou wegstoppend hebben
hij/zij/hetzou wegstoppend hebben
wijzouden wegstoppend hebben
julliezouden wegstoppend hebben
zijzouden wegstoppend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het wegstoppen
jijbent aan het wegstoppen
hij/zij/hetis aan het wegstoppen
wijzijn aan het wegstoppen
julliezijn aan het wegstoppen
zijzijn aan het wegstoppen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het wegstoppen
jijwas aan het wegstoppen
hij/zij/hetwas aan het wegstoppen
wijwaren aan het wegstoppen
julliewaren aan het wegstoppen
zijwaren aan het wegstoppen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikwegstopp
jijwegstopp
hij/zij/hetwegstopp
wijwegstopp
julliewegstopp
zijwegstopp
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0