FlexiVerb

Dutch Verb

weren

to hold back, to keep out · to defend oneself, to put up resistance

takes hebbenstrongregular

Infinitive

weren

Past Participle

werend

Pres. Participle

werend

Imperative

weer / weert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikweer
jijweert
hij/zij/hetweert
wijweren
jullieweren
zijweren

Verleden tijd

Simple Past

ikweerde
jijweerde
hij/zij/hetweerde
wijweerden
jullieweerden
zijweerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb werend
jijhebt werend
hij/zij/hetheeft werend
wijhebben werend
julliehebben werend
zijhebben werend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad werend
jijhad werend
hij/zij/hethad werend
wijhadden werend
julliehadden werend
zijhadden werend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal weren
jijzal weren
hij/zij/hetzal weren
wijzullen weren
julliezullen weren
zijzullen weren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal werend hebben
jijzal werend hebben
hij/zij/hetzal werend hebben
wijzullen werend hebben
julliezullen werend hebben
zijzullen werend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou weren
jijzou weren
hij/zij/hetzou weren
wijzouden weren
julliezouden weren
zijzouden weren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou werend hebben
jijzou werend hebben
hij/zij/hetzou werend hebben
wijzouden werend hebben
julliezouden werend hebben
zijzouden werend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het weren
jijbent aan het weren
hij/zij/hetis aan het weren
wijzijn aan het weren
julliezijn aan het weren
zijzijn aan het weren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het weren
jijwas aan het weren
hij/zij/hetwas aan het weren
wijwaren aan het weren
julliewaren aan het weren
zijwaren aan het weren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikwer
jijwer
hij/zij/hetwer
wijwer
julliewer
zijwer

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0