FlexiVerb

Dutch Verb

worteltrekken

to find a root

takes hebbenstrongregular

Infinitive

worteltrekken

Past Participle

worteltrekkend

Pres. Participle

worteltrekkend

Imperative

worteltrek / worteltrekt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikworteltrek
jijworteltrekt
hij/zij/hetworteltrekt
wijworteltrekken
jullieworteltrekken
zijworteltrekken

Verleden tijd

Simple Past

ikworteltrok
jijworteltrok
hij/zij/hetworteltrok
wijworteltrokken
jullieworteltrokken
zijworteltrokken

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb worteltrekkend
jijhebt worteltrekkend
hij/zij/hetheeft worteltrekkend
wijhebben worteltrekkend
julliehebben worteltrekkend
zijhebben worteltrekkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad worteltrekkend
jijhad worteltrekkend
hij/zij/hethad worteltrekkend
wijhadden worteltrekkend
julliehadden worteltrekkend
zijhadden worteltrekkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal worteltrekken
jijzal worteltrekken
hij/zij/hetzal worteltrekken
wijzullen worteltrekken
julliezullen worteltrekken
zijzullen worteltrekken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal worteltrekkend hebben
jijzal worteltrekkend hebben
hij/zij/hetzal worteltrekkend hebben
wijzullen worteltrekkend hebben
julliezullen worteltrekkend hebben
zijzullen worteltrekkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou worteltrekken
jijzou worteltrekken
hij/zij/hetzou worteltrekken
wijzouden worteltrekken
julliezouden worteltrekken
zijzouden worteltrekken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou worteltrekkend hebben
jijzou worteltrekkend hebben
hij/zij/hetzou worteltrekkend hebben
wijzouden worteltrekkend hebben
julliezouden worteltrekkend hebben
zijzouden worteltrekkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het worteltrekken
jijbent aan het worteltrekken
hij/zij/hetis aan het worteltrekken
wijzijn aan het worteltrekken
julliezijn aan het worteltrekken
zijzijn aan het worteltrekken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het worteltrekken
jijwas aan het worteltrekken
hij/zij/hetwas aan het worteltrekken
wijwaren aan het worteltrekken
julliewaren aan het worteltrekken
zijwaren aan het worteltrekken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikworteltrekk
jijworteltrekk
hij/zij/hetworteltrekk
wijworteltrekk
jullieworteltrekk
zijworteltrekk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0