Dutch Verb
zetelen
to settle, reside, sit (especially as in parliament) · to be established
takes hebbenstrongregular
Infinitive
zetelen
Past Participle
zetelend
Pres. Participle
zetelend
Imperative
zetel / zetelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikzetel
jijzetelt
hij/zij/hetzetelt
wijzetelen
julliezetelen
zijzetelen
Verleden tijd
Simple Past
ikzetelde
jijzetelde
hij/zij/hetzetelde
wijzetelden
julliezetelden
zijzetelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb zetelend
jijhebt zetelend
hij/zij/hetheeft zetelend
wijhebben zetelend
julliehebben zetelend
zijhebben zetelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad zetelend
jijhad zetelend
hij/zij/hethad zetelend
wijhadden zetelend
julliehadden zetelend
zijhadden zetelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal zetelen
jijzal zetelen
hij/zij/hetzal zetelen
wijzullen zetelen
julliezullen zetelen
zijzullen zetelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal zetelend hebben
jijzal zetelend hebben
hij/zij/hetzal zetelend hebben
wijzullen zetelend hebben
julliezullen zetelend hebben
zijzullen zetelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou zetelen
jijzou zetelen
hij/zij/hetzou zetelen
wijzouden zetelen
julliezouden zetelen
zijzouden zetelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou zetelend hebben
jijzou zetelend hebben
hij/zij/hetzou zetelend hebben
wijzouden zetelend hebben
julliezouden zetelend hebben
zijzouden zetelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het zetelen
jijbent aan het zetelen
hij/zij/hetis aan het zetelen
wijzijn aan het zetelen
julliezijn aan het zetelen
zijzijn aan het zetelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het zetelen
jijwas aan het zetelen
hij/zij/hetwas aan het zetelen
wijwaren aan het zetelen
julliewaren aan het zetelen
zijwaren aan het zetelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikzetel
jijzetel
hij/zij/hetzetel
wijzetel
julliezetel
zijzetel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0