FlexiVerb

Dutch Verb

zoemen

to buzz

takes hebbenstrongregular

Infinitive

zoemen

Past Participle

zoemend

Pres. Participle

zoemend

Imperative

zoem / zoemt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikzoem
jijzoemt
hij/zij/hetzoemt
wijzoemen
julliezoemen
zijzoemen

Verleden tijd

Simple Past

ikzoemde
jijzoemde
hij/zij/hetzoemde
wijzoemden
julliezoemden
zijzoemden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb zoemend
jijhebt zoemend
hij/zij/hetheeft zoemend
wijhebben zoemend
julliehebben zoemend
zijhebben zoemend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad zoemend
jijhad zoemend
hij/zij/hethad zoemend
wijhadden zoemend
julliehadden zoemend
zijhadden zoemend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal zoemen
jijzal zoemen
hij/zij/hetzal zoemen
wijzullen zoemen
julliezullen zoemen
zijzullen zoemen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal zoemend hebben
jijzal zoemend hebben
hij/zij/hetzal zoemend hebben
wijzullen zoemend hebben
julliezullen zoemend hebben
zijzullen zoemend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou zoemen
jijzou zoemen
hij/zij/hetzou zoemen
wijzouden zoemen
julliezouden zoemen
zijzouden zoemen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou zoemend hebben
jijzou zoemend hebben
hij/zij/hetzou zoemend hebben
wijzouden zoemend hebben
julliezouden zoemend hebben
zijzouden zoemend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het zoemen
jijbent aan het zoemen
hij/zij/hetis aan het zoemen
wijzijn aan het zoemen
julliezijn aan het zoemen
zijzijn aan het zoemen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het zoemen
jijwas aan het zoemen
hij/zij/hetwas aan het zoemen
wijwaren aan het zoemen
julliewaren aan het zoemen
zijwaren aan het zoemen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikzoem
jijzoem
hij/zij/hetzoem
wijzoem
julliezoem
zijzoem

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0